Met de basistonen die de berimbau kan maken, worden verschillende toques (ritmes) opgebouwd. Het zijn deze ritmes die de dialoog bepalen, zowel die met het koor als de dialoog met de spelers. Een toque bestaat uit een basisritme plus een aantal variaties op dat ritme. De gespeelde toque bepaalt de stijl waarin de capoeiristas moeten spelen. Zo bepaalt de toque Angola dat de spelers zeer traag en zonder enige agressie rond elkaar cirkelen en daarbij lage bewegingen uitvoeren. Zo’n gevecht heeft meer weg van een rituele dans dan van een echt gevecht.

Een andere toque, São Bento Grande, vraagt dan weer het tegengestelde van zijn spelers. Het ritme is opzwepend en vraagt snelle, harde en hoge bewegingen.

Een andere bekende toque is de Cavaleria. Deze werd vroeger gebruikt om aan te geven dat een koloniale heer of een politieagent in de buurt kwam. Het was het teken om ofwel te vluchten ofwel over te gaan in een onschuldige dans. In het laatste geval ging men over van roda de capoeira naar roda de samba. Vandaag duidt deze toque een snel spel met veel acrobatie aan.

Er zijn nog verschillende andere toques (Banguela, Amazonas, Idalina, Santa Maria, Samba de roda, ...) in capoeira, elk met hun eigen eisen aan het spel. Zo kan een toque ook bepaalde spelers uitsluiten. Wanneer Iuna gespeeld wordt, mogen enkel graduaten de roda betreden. De anderen kijken toe, zonder te zingen en zonder in de handen te klappen. Het is dus de berimbau die de dialoog aangaat met de spelers en hen vertelt hoe ze moeten spelen. Maar om de dialoog rond te maken kan de bespeler van de berimbau ook inspelen op de spelers in de roda. Hij kan aan hen zien dat het tijd wordt om het ritme te verhogen of om acrobatie toe te laten. In deze zin ontstaat er een dialoog met de spelers, maar dan wel een dialoog waarin de berimbau het laatste woord heeft.